E-nummers, zijn ze echt zo eng?

E-nummers: ze worden vaak beschouwd als gevaarlijke chemische stoffen. Een flink deel komt echter gewoon in voedingsmiddelen voor. Ook maakt de benaming op het etiket in de vorm van een E-nummer ze vaak ‘enger’ voor de consument dan de volledige naam.

Definitie

E-nummers, ook wel additieven genoemd, zijn stoffen die aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om ze te verbeteren, bijvoorbeeld om de houdbaarheid ervan te kunnen garanderen. Voordat een additief aan levensmiddelen mag worden toegevoegd, wordt de veiligheid van het middel uitgebreid onderzocht door EFSA (Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid). Na toelating door de Europese Unie krijgt elk additief een zogenaamd E-nummer. Een voorbeeld is bijvoorbeeld citroenzuur met als E-nummer E330, of E300 wat gelijk staat aan vitamine C.

Als thuiskok gebruik je vast ook onbewust ‘additieven’, denk aan citroensap over geschilde appels tegen bruinkleuring en eigeel als emulgator in de zelfgemaakte mayonaise.

De EFSA is ingesteld om onderzoek te doen naar de veiligheid van voedingsproducten, additieven, verpakkingsmaterialen en andere zaken die van invloed kunnen zijn op de veiligheid van ons voedsel. De EFSA stelt vast of de veiligheid kan worden gewaarborgd. Bij goede beoordeling wordt wettelijk vastgelegd onder welke voorwaarden het product, E nummer/additief, verpakkingsmateriaal etc. mag worden toegepast. Regelmatig wordt deze toetsing herhaald om er zeker van te zijn dat eerder vastgestelde voorwaarden en normen nog steeds veilig zijn. Er zijn vele ideeën en theorieën over additieven in voeding. Solide wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt echter vaak bij veel boekjes en websites waardoor een hoop angst wordt gezaaid onder consumenten. De trend van ‘natuurlijk’ en ‘biologisch’ en ‘puur’ versterkt dit alleen maar.

Functie

Van voedingsmiddelen wordt verwacht dat ze een bepaalde houdbaarheid en kwaliteit hebben. Hieronder vallen onder andere de kleur, de houdbaarheid en het uiterlijk. Door het lange bewaren kunnen enkele van deze eigenschappen geheel of gedeeltelijk verloren gaan. Om deze eigenschappen te bewaren worden additieven toegevoegd. Wat hierbij zeer belangrijk is dat additieven nooit mogen worden toegevoegd om gebreken aan het voedingsmiddel te maskeren. Additieven zijn in te delen in diverse categorieën zoals bijvoorbeeld kleurstoffen, conserveermiddelen, antioxidanten, rijsmiddelen, zoetstoffen en emulgatoren.

Veiligheidsmarge, de ADI

Indien de EFSA een additief beoordeeld wordt er ook een drempelwaarde vastgesteld waarbij het additief veilig wordt bevonden voor mensen, de Aanvaardbare Dagelijkse Inname (ADI). Immers, zoals grondlegger van de toxicologie (giftigheidsleer) Paracelcus al zei: ‘de dosis maakt het vergif’. Als de dosis maar hoog genoeg is, zijn alle stoffen giftig, zelfs water!

Het uitgangspunt van de ADI is de ‘No Observed Adverse Effect Level’ (NOAEL), deze wordt vastgesteld aan de hand van het geringste nadelige effect dat relevant is voor de gezondheid van de mens, die waargenomen is bij de meest gevoelige testdieren. De NOAEL is dus de hoogste dosis die via het voedsel ingenomen kan worden, zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid. De NOAEL wordt uitgedrukt in aantal milligram additief per kilogram lichaamsgewicht per dag (mg/kg lichaamsgewicht per dag). Na het vaststellen van de NOAEL wordt deze vervolgens gedeeld door een hoge factor, meestal is dat de factor 100, wat resulteert in een aanzienlijk lagere toegestane inname voor de mens en een grote veiligheidsmarge. De factor 100 wordt verkregen omdat er een factor 10 gerekend wordt voor het risico dat mensen gevoeliger reageren dan sommige proefdieren, dit wordt vermenigvuldigd met nog een factor 10 voor het verschil in gevoeligheid tussen mensen.

Totaal geen risico dus?

Op basis van bovenstaande informatie kun je ervan uitgaan dat alle additieven die op de Europese markt gebruikt worden veilig zijn, mits normaal gebruikt omdat je anders de ADI zult overschrijden. Nu is dat een dag ook geen ramp maar als dit structureel gebeurt loop je een risico. In de praktijk is dat nagenoeg niet haalbaar, net als dat je van andere stoffen ook niet dagelijks enorme hoeveelheden binnenkrijgt zoals water. Het langere tijd dagelijks drinken van 10 liter water is ook niet zonder risico.

Allergische reacties

Wel zijn additieven niet helemaal risicovrij, net zoals elke stof kan ook een additief een allergische reactie veroorzaken. Er zijn veertien allergenen bekend die het meeste risico geven op een allergische reactie, daaronder valt één additief namelijk sulfiet.

Sulfieten zijn zouten die vooral worden gebruikt als conserveermiddel om de houdbaarheid van voedingsmiddelen te verlengen. Ze worden bijvoorbeeld toegevoegd aan (gedroogd) fruit, vis en vlees om de kleur te behouden en bruinkleuring te remmen. Ook is wijn een bekende bron van sulfiet omdat sulfiet fermentatie en oxidatie van de wijn vertraagd. Alle veertien erkende allergenen moeten verplicht worden vermeld op het etiket, zo ook het additief sulfiet (E220-E228). Dit neemt niet weg dat andere additieven geen allergische reactie kunnen veroorzaken maar dit geldt dus voor elke stof die er maar is. Additieven zijn dus lang niet zo eng als het E-nummer doet vermoeden.

Groet,

tally

Indien je hulp nodig heeft omtrent allergenen, additieven en andere ingrediënten, kan Nutri-help je wellicht van dienst zijn. Schroom niet vrijblijvend contact op te nemen!

Reageer op dit artikel

REAGEER ZONDER FACEBOOK

Vul een reactie in ajb
Vul hier je naam in

Mijn naam is Tally en ik ben al van jongs af aan geïnteresseerd in voeding en alles wat ermee te maken heeft. Ik kook en bak graag en vind het een uitdaging om gezond èn lekker te eten! Ik heb een commerciële achtergrond Voeding & Diëtetiek en Gezondheidswetenschappen. Via Nutri-help voedingskundige ondersteuning verleen ik sinds 2008 diensten op het gebied van Marketing en Kwaliteit en doe dit met veel plezier.