Zo moeilijk kan het toch niet zijn, de simpele adviezen opvolgen van de Gezondheidsraad: eet gevarieerd (vooral groenten, fruit en brood) en niet te veel, beweeg, neem minder verzadigd vet. Als Nederlanders zich daaraan zouden houden, zou dat in twintig jaar tijd 140.000 levens sparen – mensen die nu overlijden aan voedingsgerelateerde hart- en vaatziekten, diabetes en kanker. De zorgkosten zouden naar schatting ruim vier miljard euro minder zijn – en dan is nog niet meegerekend hoe veel dat in het dagelijks leven zou schelen: minder narigheid thuis en minder absentie op de werkvloer.

Het is dus niet vreemd dat de overheid zich intensief wil bemoeien met het eetpatroon van de bevolking. De voedingsnota die de regering begin deze maand publiceerde, is een samenballing van bestaand en voorgenomen beleid, dat vooral inzet op het vergroten van kennis. Mensen moeten beter weten wat ze eten en waar dat eten vandaan komt. Dat is een goede zaak, want mensen weten schrikbarend weinig van wat ze afrekenen en wat ze zichzelf en eventueel hun huisgenoten voorschotelen. De voorlichting daarover (onder andere door in Brussel te streven naar regels voor eenduidiger en makkelijk leesbaarder etiketten op voedingsproducten) is nog lang niet optimaal.

Het verwijt dat een overheid die zich bezighoudt met wat mensen eten bevoogdend zou zijn, is te makkelijk. Iedereen moet zelf weten wat hij eet en slechte voeding heeft eerst en vooral consequenties voor iemands privéleven, maar wie door zijn eetgedrag zijn gezondheid negatief beïnvloedt, draagt ook bij aan hogere zorgkosten en een lagere arbeidsproductiviteit. Een overheid die wijst op die consequenties en mensen daarvan bewust wil maken, gaat de perken bepaald niet te buiten.

Zeker niet in het oogverblindende en oorverdovende marketinggeweld van de voedingsmiddelenindustrie. Het Voedingscentrum geeft nu jaarlijks zo’n vier miljoen euro uit aan campagnes die oproepen tot gezond eten, en dat is maar één of twee procent van wat de voedselfabrikanten uitgeven aan reclame. Een knappe consument die daar niet op een of andere manier door wordt beïnvloed. ‘Minder zoet’ roept de verpakking van een pak frisdrank in grote letters, omdat er fruit in zit dat ‘speciaal geselecteerd is’ omdat er ‘van nature minder suikers in zitten’. Je moet de heel kleine lettertjes van de complete ingrediëntenlijst doorwerken om te zien dat die betreffende vruchten maar 1 procent van het geheel uitmaken en dat de rest net als altijd voornamelijk bestaat uit water en suiker. En zo gaat het met vrijwel alle verpakkingen.
Het wordt nog een hele kluif voor de overheid om mensen écht bewust te maken hoe ingenieus die voedingsindustrie te werk gaat. De logo’s en gezondheidsclaims waar fabrikanten en detailhandel tegenwoordig mee strooien om het voor de klant makkelijker te maken om ‘gezond’ te kiezen, zijn zo’n voorbeeld van al te makkelijke stickerplakkerij. Die labels zijn veel te gevarieerd (blauwe klavertjes, Ik kies bewust, ‘light’) en te simplistisch: koop mij, dan zit je goed. Wellicht zullen voedselfabrikanten proberen om al te ongezonde ingrediënten uit hun producten te weren en steken ze veel geld in onderzoek naar innovatie en betere producten, maar laten we toch vooral voor ogen houden dat het hen eerst en vooral gaat om het maken van winst.

2hf

dan een ingrediëntenlijstje
Het westerse voedingspatroon is de vorige eeuw in een verbijsterend snel tempo veranderd. Eeuwenlang werd de mens niet gehinderd door wetenschappelijke kennis van de precieze samenstelling van wat hij at. Tegelijkertijd was de op intuïtie en ervaring gebaseerde kennis over wat goed of zelfs geneeskrachtig was, enorm. Mensen aten gevarieerd en vooral niet te veel. Tegenwoordig zijn we prooi van enerzijds monoculturen in de teelt van gewassen en het fokken van vee, en anderzijds van producten met lange ingrediëntenlijsten van al dan niet kunstmatige toevoegingen.

En niet alleen wát we eten is sterk veranderd, maar ook de manier waarop. Televisie, magnetron, directklaarmaaltijden die alleen nog maar hoeven worden opgewarmd, een actief avondleven buitenshuis: dat soort zaken heeft grote invloed gehad op hoe we eten. En we leven in een visuele tijd. Bij de veredeling van gewassen, het fokken van vee en het vervaardigen van voedingsmiddelen gaat het doorgaans meer om het verkrijgen van een beter uiterlijk en een langere bewaartijd dan om een goede smaak. Ook eters letten vooral op wat ze zíén: de verpakking moet aanlokkelijk zijn en de pan en het bord moeten leeg. Wie een grotere portie krijgt voorgeschoteld, eet bewezen meer. Niet omdat we meer honger hebben of omdat het zo goed smaakt, maar omdat we minder gespitst zijn op signalen van de maag (‘ik heb wel genoeg eigenlijk’) en meer op die van het oog (‘ik zie dat er nog wat over is op die schaal’).

Al die bijkomende zaken en gewoonten hebben een bepalende invloed op hoe we eten. Voeding is geen kwestie van de juiste mix aan ingrediënten, maar een optelsom van kennis, aanschaf én de tijd die we nemen om maaltijden te bereiden en te eten. Een knappe overheid die dat allemaal de goede kant op weet te sturen.

bron: frieschdagblad

Reageer op dit artikel

REAGEER ZONDER FACEBOOK

Vul een reactie in ajb
Vul hier je naam in

Sanne
Mijn naam is Sanne Sanders en ik ben trendwatcher op het gebied van dieet, voeding, gezondheid en beauty. Regelmatig schrijf ik een artikel of review voor vetvrij.com Heb je een vraag of suggestie? Dan kun je me een berichtje sturen.